Ik snap met alle wil in me niet dat er mensen zijn die voor honderden euro’s aan vuurwerk kopen en dan te lui zijn om dat op het moment dat het legaal mag, af te steken.

Inmiddels zijn we twee weken verder. Ik plof bij mijn ouders op de bank. Nog steeds hoor ik hier en daar een knalletje. Droebel waggelt van ellende haar mandje uit en kruipt ver weg in een hoekje op de stoel.
‘Jezus man. Hoezo is dat hier nog steeds?’
Mijn vader slaat zijn armen over elkaar. ‘Dikke klotezooi dat is het. Welke fucking debiel is dit nou weer?’
Mama probeert hem nog wat te sussen tot er drie ongelooflijk harde knallen klinken.
Mijn vader kijkt naar het raam. ‘Godverdomme wie was dat?’
Mijn moeder volgt zijn blik, maar de gordijnen zitten dicht. Ze lacht. ‘Dat weet ik toch niet!’
‘Godverdomme. Wat een gezeik.’
Mijn moeder staat op en gluurt door de gordijnen.
‘Is het hier in de straat?’ vraag ik.
‘Nee.’ mama hangt het gordijn weer terug. ‘Het is een straat hier achter.’
Mijn vader blijft nors voor zich uitkijken. ‘Dan zal dat wijf dat daar woont wel gewoon zitten te schijten.’