Naast me zit een man in een slobberig pak. Jaar of veertig. Tanden van een rode wijndrinker. Onmiskenbaar. Hij blijkt hetzelfde tentamen als ik te doen en schuift naar me toe: ‘Ik kom hier in de buurt nooit iemand tegen die dit ook studeert!’
Ik lach vriendelijk en neem mezelf voor niet te aardig te doen. Voor ik het weet zit ik weer aan een type vast dat me elke avond belt, omdat hij ‘’toch nog even wat wil overleggen.’’ Ik ben zo vaak de fout in gegaan met zulke types. Ik heb geen zin meer om vriendelijk te doen. Het pakt nooit goed uit.

Als ik het tentamen heb afgerond en opsta, merk ik dat hij direct hetzelfde doet.
Ik been de trap af, maar hij staat binnen voor de uitgang te wachten.
Hij zal zo wel gaan toch?
Nope. Na een kwartier staat hij er nog steeds. Ik houd George aan de telefoon en loop de trap af.

Ik knik naar hem. ‘Gehaald?’
Nee. Hij heeft het niet gehaald. Ik wel? Ja ik wel.

‘Jammer.’ zeg ik. ‘Succes met de herkansing.’
‘Ja.’ hij loopt met me mee de uitgang door. ‘Ik stond je hier op te wachten.’