Er zit een puist op mijn gezicht. Ik lieg. Het zijn er vier. Eén op mijn rechterwang en twee aan de rechterkant van mijn kin. Deze drie vind ik acceptabel; ik kom bijna nooit buiten, dus dit gedoe maakt geen verschil. Ik vind het gewoon heel jammer voor mijzelf.

Maar er is nog een andere puist. Nét onder mijn oog. Deze baart me zorgen. Als ik probeer om iets te lezen, blokkeert de puist zeker 50% van mijn zicht. Het is een gemuteerd ding waar (ik overdrijf niet) nog drie op opzichzelfstaande puisten in schuil gaan. Ik vind het erg dat George hier tegenaan moet kijken, ook al heeft hij er niets over gezegd.

Als we deze ochtend aan het ontbijt zitten, durf ik hem volledig aan te kijken. Maar George kijkt mij niet aan als ik praat.
‘Wat is er?’
Hij kijkt een beetje viezig van zich af.
‘Wat???’
‘Ik durf niet naar je puist te kijken.’ hij slikt zijn broodje met moeite door. ‘Straks knapt ‘ie.’
Ik druk mijn vinger op mijn puist.  ‘Was het maar zo.’
George grinnikt: ‘Elke keer als je dat doet, komt hij er aan de andere kant van je gezicht weer uit.’