Romy komt aanlopen. ‘Drie uur!’ zegt ze. ‘Die reis is drie uur.’
Ik geef haar een knuffel. ‘Ik weet het! Maar je bent er!’

Samantha sluit aan als we uit eten gaan. Romy en ik doen tot die tijd niet veel bijzonders. We drinken thee en proberen The Mind te spelen, maar er is eigenlijk veel te bespreken.

Na het eten lopen we met z’n drieën naar het station om Romy uit te zwaaien. Ik bedoel: we lopen met z’n drieën, maar Romy zwaait zichzelf niet uit. Wij zwaaien Romy uit. En Romy zwaait ons weer uit. Het is niet zo moeilijk als het hier nu allemaal lijkt.

Daarna wandelen Samantha en ik terug.
‘Wil je deze route of die?’ vraagt ze. Ik scan de wereld. ‘Daar zit iemand op terras die ik ken. Doe deze maar.’
‘Oké!’
We lopen tot een volgend dilemma.
‘We moeten oversteken.’ zeg ik. ‘Daar is iemand die ik ken.’
Ik stop midden op straat. ‘Shit. Daar is ook iemand die ik ken.’
‘Dan lopen we toch gewoon over de straat! Da’s ook prima.’
Ik lach. ‘Jij bent zo chill. Jij wil gewoon doodgaan op een weg omdat ik geen mensen wil zien.’