‘Ja hoi!’ schreeuw ik nog voor het beeld werkt. Enkele seconden later verschijnt Leon op mijn scherm. Hij draagt een enorm vest met een capuchon die helemaal over zijn hoofd getrokken is. Zijn zwarte baard is voller en langer dan ooit.
‘Wat is er? Waarom bel je me?’

Leon kijkt verontwaardigd op. ‘Hoezo? Mag ik mijn nichtje niet bellen?’
‘Is het daar een beetje te doen?’ vraag ik bezorgd voor de honderdste keer deze week.
‘Zeker! De militairen rijden door de straat.’ Leon begint te lachen. ‘Maar volgens mij is het hier beter geregeld dan in Nederland. We mogen nu alleen nog maar tussen acht en twaalf de straat op voor boodschappen. Verder binnen.’
‘Ah oké.’
‘Merk weinig verschil. Werk gaat gewoon door. Ik doe hetzelfde. Beetje gamen, films kijken…’
Ik knik. Zelf voel ik ook geen enkel verschil. Ik deed alles al thuis, dus er valt weinig om te schakelen. En het meeste sociale contact dat ik had naast George, was met Leon. Maar goed, die zit al anderhalf jaar in Zuid Amerika.

Leon en ik praten uren over het virus en de rest. Als het eventjes stilvalt zucht hij. ‘Ja Jack… Zitten we dan. Thuis. Zoals normaal.’