De vakantie van George is begonnen. Hij schuift bij me aan tafel. ‘Krijg net een bericht van een collega van me dat hij in de buurt is.’
‘Nodig hem uit.’ opper ik en George kijkt verward. Wat me niet verbaast. We zijn ons derde jaar in Leeuwarden ingegaan en George heeft welgeteld nul nieuwe vrienden gemaakt.
‘Is toch leuk als je wat mensen leert kennen? Met wie je eens de kroeg in kunt.’
‘Ik heb jou toch.’ antwoordt George.
‘Ik denk dat het leuk voor je is.’
‘Hij komt toch niet.’ zegt George terwijl hij een bericht terug typt.

Nog geen halve minuut later kijkt hij geschrokken op. ‘Ze komen eraan.’
Mijn ogen worden ook groot. ‘Wie zijn ”ze” en wat komen ze doen?’ Ik vlieg overeind, trek de meubelspray uit een kastje en begin de meubels willekeurig te sprayen. Dit is zo onverwacht. Hoe moet ik hier nou mee omgaan?
Met de fles in mijn handen, ren ik naar de spiegel. ‘Dit kan toch niet George. Moet je zien hoe ik erbij loop.’

Dan gaat de bel. We kijken elkaar met grote ogen aan.
‘Dit is allemaal jouw schuld.’ zegt George als hij naar de voordeur loopt.