Ik heb haast. Heel veel haast, want ik wil de band zien die speelt op één van de Bevrijdingsdag podia in de stad. Het is nog geen vijf minuten lopen, maar ik wil op tijd zijn voor de opening. De opening is het belangrijkst, houd ik mezelf voor. Ik probeer slim te zijn en wegen binnendoor te nemen, maar het is overal afgezet.
‘Verdomme. Daar staan allemaal zwarte schotten.’ zeg ik tegen George.
‘Nu zie ik heel veel donkere mensen met een kilt en een doedelzak voor me.’
‘Doorlopen.’
‘Jaaha.’
We haasten ons om de zwarte schotten heen en ik begin nog sneller te lopen.
‘Gaat het?’ vraag ik onder het lopen.
‘Nee.’ hijgt George naast me. ‘Ben verkouden.’

We lopen langs de tassencontrole, halen voor twintig euro aan munten (we kunnen er twee drankjes per persoon van halen) en dan hoor ik de muziek al. ‘O nee!’ zeg ik. ‘Ze zijn begonnen.’
Dan valt het weer even stil. George loopt achter me aan terwijl ik het podium zoek.

Tak. Boem. Tak.

Het vertrouwde geluid stelt me gerust; het is de soundcheck maar.

‘Ze zijn nog niet begonnen! Ze zijn nog aan het inslaan!’ roept George enthousiast achter me.