Het is Valentijnsdag. Ik ben de hele dag bezig met dingen waar ik me niet per se mee bezig hoef te houden. Ik kan de badkamer wel opruimen, wassen draaien en de waterbak van de katten schoonmaken, maar eigenlijk moet ik studeren, want ik wil vanavond uiteten met George.

Ik start mijn computer vastberaden op. Ik zal vanaf nu studeren tot ik niet meer kan.

Mijn wekker wordt braaf op vijf uur gezet, wat me vijf uur geeft om écht even goed te studeren.
Maar dan begint het… Het dreunt maar door. Ik wil me eigenlijk nog ergens voor aanmelden dat niemand (behalve Marit) snapt… Na tien minuten, neem ik toch de beslissing om het te doen.

Tijdens ons diner kijk ik George met enig schuldgevoel aan.
‘Ik heb weer iets raars gedaan…’ zeg ik. Hij kijkt er niet eens verbaasd van op. Deze zin komt eens per drie weken voorbij; hij is eraan gewend en er volgt behalve een sceptisch opgetrokken wenkbrauw, geen reactie.

‘Nou! Wil je weten wat ik heb gedaan?’

George ademt diep in, trek zijn mond wat scheef alsof hij nadenkt en kijkt me vervolgens glimlachend aan. ‘Ik ga een keertje voor ”nee”.’