‘Ik bel wel effe!’ zegt George als ik weer via omwegen met een bedrijf probeer te communiceren. Ik wacht liever zes weken op een antwoord dan dat ik moet bellen om te vertellen wat ik nou eigenlijk precies wil. Het zit gewoon niet in me. Ik hakkel ook altijd. En ik schrijf altijd mijn eigen script uit vóór ik bel, zodat ik vertel wat ik wil. Dat lukt nooit. Mensen houden zich niet aan mijn script. Dus dan staar ik verdrietig naar mijn net getypte Word documentje, terwijl ik zoek naar woorden.

‘Zo knap dat je dat gewoon even doet.’
‘Dat is normaal hoor.’
‘Ja voor jou.’ antwoord ik. In gedachten voeg ik eraan toe: ik kom uit de tijd dat we niet meer bellen naar elkaar, tenzij je écht goed bevriend bent of je huis in de fik staat.
‘Ach!’ zegt George terwijl hij het nummer opzoekt.

Hij belt. Alles wordt binnen een halve minuut geregeld en ik zit hem aan te gapen.
‘Dat doe je heel goed.’ zeg ik vol bewondering als hij heeft opgehangen.
‘Doe eens normaal. Ik word elke dag wel dertig of veertig keer gebeld.’
‘Ik ook.’
‘Ja door dezelfde omdat je nooit opneemt.’