Om half twaalf wandel ik naar de Jumbo. Mijn moeder kan er elk moment zijn. Eerder moest ik haar altijd ophalen vanaf de parkeerplaats omdat ze de weg nooit weet, maar toen ik gisteren voorstelde dat ik haar zou ophalen, deed ze alsof ik degene was die gek is. Hoe kon ik het in mijn hoofd halen? Moeder wist zelf wel hoe ze moest lopen. Ik heb haar gelijk gegeven en besloten alsnog naar de parkeergarage te lopen. Ik zag de krantenkoppen al voor me: ‘Vrouw [leeftijd] vermist. Laatst gezien in centrum Leeuwarden. Was op weg naar dochter die drie meter verderop woont, maar heeft belabberd richtingsgevoel.’ 

Mijn moeder staat al aan de overkant naar me te zwaaien, met een tasje in haar handen waar waarschijnlijk nog enkele boekenmarktaanwinsten inzitten die ik zelf niet kon meeslepen afgelopen weekend.
Zodra mijn moeder de straat oversteekt zegt ze dat ik haar écht niet had hoeven ophalen.
‘Natuurlijk wel.’
‘Ik weet echt wel hoe ik moet lopen.’
‘Sinds wanneer?’
‘Ik wéét dat wel hoor!’

We wandelen door, babbelen wat en op de hoek naar mijn huis, zegt mijn moeder trots: ‘Hier moeten we rechtsaf. Zie je. Dat weet ik wel.’