Dit weekend blijf ik binnen. Niet alleen omdat ik weer studeerstress heb (mijn andere studieopdrachten bleken  meer tijd in beslag te nemen dan ik had ingeschat, waardoor mijn leerwerk voor het tentamen is blijven liggen), maar vooral omdat het waait.

Dat waaien schijnt nogal een ding te zijn, maar in de binnenstad merk ik er niets van. De bomen hangen niet schever dan normaal, er liggen geen takken op de weg, ik zie mensen niet met moeite over de straat lopen… Je zou bijna denken dat ‘t allemaal verzonnen is.

‘Jezus Christus!’ zegt George als hij thuiskomt. ‘Die hele deur was er compleet uitgewaaid.’
‘Welke?’
‘Op m’n werk. Ben zelfs binnendoor teruggereden. Ik dacht: met die bus over zo’n lege vlakte…’
‘Hmm…’

George komt naast me zitten: ‘Wat gaan we doen vandaag?’
‘Moeten we wat doen dan? Ik ben aan het leren. Dat ga ik de hele dag doen.’
‘Oh! Jammer.’
‘Hoezo?’
‘Nou, het is zaterdagmiddag en net vier uur.’
‘Ja?’
‘Kunnen we niet even naar het strand?’

Ik kijk naar buiten en zie dat de bomen nu (eindelijk) ook allemaal omver worden geblazen.
‘Waarom wil je precies nu naar het strand?’
‘Zodat ik je als vlieger kan gebruiken.’