We rijden met de airco aan naar het kleine strand net buiten de stad. Het is druk op de weg; iedereen wil Maarten De Zwemmer zien aankomen bij het grotere strand aan de andere kant van de weg. Terwijl we stoppen voor een verkeerslicht, kijk ik naar rechts. Ineens zie ik twee bekende gezichten.
Ik draai het raampje naar beneden. ‘Hallo!’
‘Jacky! Waar gaan jullie naartoe?’ Schreeuwt Marije vanaf haar fiets.
‘Wielen.’
‘Wij ook! Tot zo!’

George en ik nemen plaats aan het strand dat zo goed als uitgestorven is. Op een verdwaald groepje scholieren dat Frans Duits luistert, na.
‘Staat iedereen nou bij Maarten?’
‘Ik denk het wel.’ antwoordt George. ‘Beter voor ons.’
We leggen onze handdoeken neer, plaatsen de barbecue op een goede plek en George duikt het meer in. Ik haal een wrap uit mijn tas en begin te eten. Inmiddels zijn we bijna een uur verder, maar ik heb zo’n flauw vermoeden dat ook Marije en Evelien helemaal niet wilden genieten van het strand en het weer, maar van Maarten de Zwemmer.
‘Waar zijn jullie?’ typ ik. En ik krijg direct een locatie doorgestuurd.
Ik stuur mijn locatie door. ‘Ah. Ja. Wij zijn hier.’