Volgens Plato observeren wij mensen de wereld zoals deze binnenkomt via sensorische ervaringen. We gaan de fout in door verschijning aan te nemen als realiteit. Als voorbeeld daarvan neemt hij de grot. Een plek waar gevangenen alleen schaduwen zien van dat wat wij als echt en levend beschouwen. Voor de gevangenen zijn de schaduwen de realiteit en dus even echt als de levende figuren die wij zien die deze schaduw veroorzaken. Maar zelfs de levende figuren die wij zien, zijn niet representatief voor de realiteit. Dat zijn alleen de Universal Forms.

Tijdens onze discussie over de grot-metafoor, zegt Eline: ‘Tenzij we onze geest bevrijden, zullen we nooit zien hoe de wereld werkt. We zien slechts reflecties van de dingen die we een naam hebben gegeven. Maar waarom is het een probleem om alleen schaduwen te zien? Misschien omdat iedereen een ander beeld heeft van die schaduwen.’
Ik knik. We zijn op zoek naar de realiteit los van perceptie, want perceptie heeft te veel beperkingen. Maar alles is toch even echt als nep? En vice versa? Welke richting zal ik kiezen voor de discussie?

‘Plato zegt eigenlijk dat iedereen die niet zoals hij denkt, blind is. Asshole.’ concludeert Eline.