George en ik zitten al een tijdje in de hotelbar om onze vakantie af te sluiten. We waren bij een gezellig eetcafé, maar besloten om toch – verstandig als wij zijn – alvast naar het hotel te gaan.

‘Nemen we er nog één?’ vraagt George om half twee en ik knik. ‘Zeker! We hoeven morgen pas om twaalf uur uit te checken.’

We worden de ochtend erop om tien uur wakker door het schelle geluid van mijn wekker. Ik heb ongelooflijk dorst, dus we wandelen bijna direct door naar de ontbijtzaal. Ik pak vier glazen drinken en toast met roerei, waar ik nog wat extra zout over gooi.
‘Weet je zeker dat we om twaalf uur kunnen uitchecken?’ vraagt George als we zitten.
‘Tuurlijk!’ smak ik.
‘Het lijkt me wel heel laat eigenlijk.’
‘Jezus.’ Ik slik een grote hap door. ‘Ik vraag het wel even.’

Als ik terug de ontbijtzaal in kom lopen, neem ik rustig plaats op mijn stoel.
‘En?’ vraagt George.
‘We moeten er voor elf uur uit zijn.’
‘Wat!?’
‘Ja.’ Ik neem nog een hap. ‘Elf uur.’
George kijkt naar de grote klok in de zaal.  ‘Het is tien over half elf.’
‘Ik weet het. Heel onpraktisch allemaal.’