‘Sjeuzus.’ zucht George. Hij kijkt uit het raam naar de kleedjes met oude zooi die niemand wil hebben. Het is één van mijn favoriete dagen om in de binnenstad te wonen: je kunt alles meemaken en zien zonder naar buiten te hoeven. Maar dit jaar is het matig. Het regent en de lucht is grijs. Ongezellig. George en ik verbazen ons over de enorme hoeveelheid mensen met kinderen. George krabt door zijn haar. ‘Als die mensen naar boven kijken, dan zullen ze wel denken: kijk die oude gek leeft nog steeds het studentenleven, terwijl hij hier hoort te lopen met een kind.’
Ik begin te lachen. Het is waarschijnlijk wel waar. Tegenover ons komt een stelletje aangelopen dat een kleedje neerlegt en spullen uitstalt. Even later verdwijnt het meisje. George heeft net drie broodjes met ei gegeten en wandelt vanaf de keuken weer terug naar het raam. Op datzelfde moment komt het meisje teruglopen met twee ijsjes.
George’s ogen worden groot: ‘Waar heeft ze die nou weer vandaan?’
Het klinkt als een verwijt.
‘Ah joh! Laat dan meisje nou gewoon een ijsje eten.’
‘Nee. Ik baal er gewoon van als mensen iets te eten hebben wat ik niet heb.’