Sam is gearriveerd. Het is voor haar elke keer best een reis vanaf een dorp bij Den-Haag helemaal naar Leeuwarden, maar ik heb niet het idee dat ze het erg vindt. Misschien is dat normaal als je zestien bent. Of misschien is ze gewoon niet zo’n zeur als George en ik. Dat laatste waarschijnlijk.

Het fijnste aan Sam is dat ze niet overdreven haar best doet om een leuke gast te zijn. Ik vind het altijd naar als mensen dat doen. Dan moet je zo je best doen en dat slurpt energie. Maar Sam is niet zo. Die gaat gewoon zitten en als je niets zegt, dan pakt ze haar telefoon of een boek en dan vindt ze het ook allemaal wel prima. Ik ben echt blij dat George zo’n leuk nichtje heeft. En zij is denk ik ook blij met ons, want ze stapt elke keer weer in die stomme trein om uren te reizen en hier vervolgens niet echt wat bijzonders te doen.

George kijkt op naar Sam, die olijven aan een prikkertje probeert te krijgen. ‘Oh ja! Als je wat wil drinken…?
Sam krijgt geen tijd om te antwoorden.
‘Dan moet je dat zelf maar pakken.’