Met het lood in mijn schoenen wandel ik naar het dakterras voor een feestje van Dunja. Ik had een heleboel mensen verwacht. Een druk feest waar het zó sprankelde, dat niemand zou zien dat ik er ook ben. Dat is niet het geval. Het is rustig. Alleen familie en goede vrienden. Als ik iets erger vind dan een enorm druk feest, is het een klein feest dat nét niet klein genoeg is. Dit is niets voor mij. Ik wil me omdraaien, maar mijn moeder wandelt vrolijk door.
Mensen praten en eten en als klap op de vuurpijl mag ik ook nog roken. Ik had het een stuk slechter kunnen treffen. Men is lief en dat wist ik natuurlijk al lang, want ik ken iedereen mijn hele leven al, maar ik was het vergeten toen ik ze plotseling weer allemaal bij elkaar zag zitten. Ja, het is leuk. Goed dat ik ben gegaan en niet ben omgedraaid! Schouderklopje aan mezelf. Hiep hoi!

Toch ben ik – na anderhalf uur – op. Terwijl Dunja vrolijk tegen me praat, trek ik mijn rugzak over mijn schouders. ‘Ik ga nu weg.’ zeg ik abrupt.
Dunja begint te lachen. ‘Dat is een mooie, duidelijke mededeling.’