Mijn wekker gaat. Ik stel hem 60 minuten later in. ‘Het is niet mijn dag vandaag.’ zeg ik kreunend tegen mijn bedpartners. Eén bedpartner beaamt het door zijn twee voorpoten uit te rekken en daarna voor zijn gezicht te vouwen alsof hij het allemaal ook niet wil zien. De ander sluit haar ogen en begint hard te spinnen met een zucht. Beiden leggen ze hun hoofdje weer neer.
‘Nog één uurtje.’ mompel ik terwijl ik de wekker opnieuw instel. Ik val direct weer in slaap, maar schrik om half elf wakker. Ik moet een literatuurstudie doen en ik volg een vak dat zó onwijs veel werk is dat ik het niet kan maken om maar gewoon tot elf uur op zaterdagochtend in bed te blijven liggen. Het kan niet. Abrupt slinger ik één been uit bed. De bedpartners kijken geschrokken op. Dan echoot er een stem in mijn hoofd: “Je loopt toch al een jaar voor, dus doe niet zo moeilijk.’’ Het is Leon. Degene die ik tot half vier heb gesproken de nacht ervoor. Ik trek mijn been terug en rol weer in de deken. De bedpartners draaien zich ook opgelucht nog een keer om.