‘Lust jij champignon?’
‘Neen. Jij?’
‘Ik wel.’
‘Wat een geluk.’
‘Ik heb teriyaki gemaakt.’
‘Met kip?’
‘Met champignon.’
‘Ging je vragen of ik mee wilde eten?’
‘Nee. Ik dacht dat je het te exotisch zou vinden.’
‘Valt wel mee. Alleen champignons lust ik niet.  Te aardse smaak.’
‘Ze smaken nu naar Spareribs. Ik denk door de marinade.’
‘Dan heb je het goed gedaan. Ik heb zilveren bolletjes die smaken naar cola. Maar ik moet eigenlijk pepernoten eten denk ik. Ik zal m’n schoen eens zetten. Kijken of er iemand in komt breken.’
‘Ik heb nog een cadeautje voor je.’
‘De sleutel ligt onder de mat.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik heb zin in patat. Patat met jus.’
‘Patat met jus?’
‘Ja. Maar vind dat maar eens.’
‘Twintig18.’
‘Ja hebben zij patat met jus? Dat zou gruwelijk zijn.’
‘Dan wordt het toch super sompig.’
‘Dat moet ook. Is sompig niet met een z? Zompig. Staat beter.’
‘Ik vind het goed. Dan schrijf ik het vanaf nu met een z.’
‘Ik wou dat ik kip lustte dan had ik gewoon een halve kip kunnen bestellen. Dan kun je daar af en toe wat vanaf trekken.’ *stilte* ‘Wat een gedoe allemaal.’