‘Jezus. Ik tril de hele dag al als een gek. Mijn kont zweet zo erg.’
‘Ach joh. We zijn zo weer weg.’
Ik trek aan Lisanne’s mouw. ‘Je moet wel bij me blijven.’
‘Natuurlijk!’

Ze heeft het laatste woord nog niet uitgesproken of ze baant zich al een weg door de reünie van onze examenklas. Ik herken bijna niemand. Zat ik bij deze mensen in de klas? Wie zijn dit?
Dan valt mijn oog op een bekend gezicht.
‘Godzijdank jij bent er.’ Ik omhels hem en zucht. ‘Godzijdank.’
Even later komt een ander van de Losersclub aanlopen en zelfs degene die ik nóóit had verwacht, zit rustig op een stoeltje voor zich uit te staren. Ik schuif ernaast. ‘Jezus wat een opluchting dat jullie hier allemaal zijn. Ik dacht echt dat niemand van ons zou komen.’
‘Ik was ook bijna niet gegaan.’ antwoordt hij.
‘Ik ook niet.’ antwoordt de rest.

De muziek gaat harder. Normaal praten is onmogelijk geworden. We zitten stil in een kringetje met onze handen op onze schoot gevouwen. ‘We gaan zo ergens anders heen.’ schreeuwt Lisanne plotseling. ‘Gewoon met z’n zessen.’
Iedereen knikt. ‘Ja ergens waar we normaal kunnen praten!’

 

Dertien jaar later. Er is niets veranderd.