‘Heb jij nog blauwe tanden?’ zegt de tandarts direct.  
Dat is een dingetje, die blauwe tanden. De afgelopen twee weken heb ik ermee rondgelopen. De eerste keer waren ze, na de behandeling, zó fel blauw dat het leek alsof ik ze had ingekleurd met viltstift. Het was best wel origineel. Ik kan niemand anders bedenken die dat heeft. Een paar dagen later fikste de tandarts het, maar in de anderhalve week die erop volgde, werden mijn tanden opnieuw blauw. Dit keer niet felblauw, maar een smoezelige donderblauwe kleur die over mijn twee voortanden trok. Yuk.

De tandarts gaat bezig en de pijn is niet te verdragen. Na de zoveelste (en dit keer sterkste) verdoving, voel ik eindelijk niets meer. Wat een opluchting! Hoefde ik me eerst alleen maar bezig te houden met de pijnlijke ellende, is het nu ineens allemaal voorbij. Ook deze behandeling duurt weer langer dan twee uur. Op een gegeven moment trommel ik met mijn vingers. Het duurt lang. Het duurt zo ontzettend lang en wat moet je met die tijd als je niet afgeleid wordt door alle pijn?
‘Gaat het?’ zegt de tandarts als hij even wat pakt.
‘Ik verveel me.’ antwoord ik.