George komt de trap oplopen. ‘Ik heb zin om te eten. Hebben we wat lekkers?’
‘Nee.’
‘Echt niet?’
‘Nee.’
‘Vanavond ga ik chips eten.’
‘Er is wel chips.’
‘Echt? Heb je dat gehaald?’
‘Ja.’
‘Ooow lekker! Wanneer?’
‘Vanochtend.’
‘Ik ga op de bank liggen oké?’
‘Oké.’
‘Chips vreten.’ George kijkt ineens ernstig. ‘En vanavond ga ik sporten.’

Ah! Cognitieve Dissonantie; je doet iets wat in strijd is met je eigen overtuigingen (roken, eten, drinken). Vervolgens praat je het dan goed, omdat je anders niet weet wie je nou in hemelsnaam bent en waarom je zulke belabberde keuzes maakt. Het is dat zeurderige kriebeltje in je buik als je tóch die zak chips opent terwijl je eigenlijk moet diëten. Om het schuldgevoel weg te nemen, zeggen mensen dan dingen als ‘’maar de rest van de week dieet ik weer…’’ Of ze denken ineens dat ze toch wel van hun rondingen houden.

‘Ga je weer naar de sportschool?’ vraag ik.
‘Nee! Gewoon. Thuis.’
‘Ga nou naar de sportschool. Zonde van je abonnement.’
‘Jaahaa.’ George denkt na. ‘Ik kan ook gaan fietsen vanavond.’
‘Dat kan.’
‘Of voetbal kijken.’
‘Ga naar de sportschool.’
‘Nee dat kan nu niet. Ik moet eerst afvallen.’