‘Kom we doen even een rondje buiten!’ roep ik uit na het voorgerecht.
Mijn vader kijkt geschrokken op. ‘Naar buiten?!’
‘Dat is wat mensen doen met kerst hoor.’
‘Ja maar wij toch niet.’ Hij kijkt wanhopig naar mijn moeder die zijn blik bewust negeert.
‘We gaan geen kilometers lopen. Gewoon even hier door de tuin.’ zeg ik. ‘Dat is ver genoeg!’
‘Godverdomme dan moet ik een jas aan en weet ik het.’
‘Ja, ik snap dat dit heel moeilijk voor je is.’
Mijn vader puft en steunt en kreunt, terwijl mijn moeder er helemaal klaar voor is om op haar nieuwe hakjes onze tuin te trotseren.

Ik beuk tegen de deur aan. ‘Je hebt de tuin nog niet eens bekeken.’ zeg ik ondertussen tegen mijn vader.
‘Nee moet je zien wat voor weer het is!’
‘Doe voorzichtig met die deur!’ schreeuwt George tussendoor.
‘Ach joh!’

Als we eenmaal aan onze wandeling kunnen beginnen, legt George alles uit over de flora en fauna. ‘We hebben aardbeien struikjes, maar ook iets met een soort bessen of bramen, dat weet ik niet precies. En ook een appelboom denk ik. Daarzo.’ George gebaart wat naar links. ‘Dat is een boom en daar groeien appels aan.’
Mijn vader kijkt met een mix van verveling en ergernis om zich heen. ‘Dan is de kans groot dat het een appelboom is.’